De Begrippen Sensitiviteit

Testen
Inleiding
Hoe kan men het resultaat van een test interpreteren?
Indien men naar parasieten zoekt en deze niet in de ontlasting aantreft, kan het zijn dat men ode diagnose heeft gemist. Als men ziek is kan men een diagnose missen omdat de test niet gevoelig genoeg is. De uitslag is dan vals negatief.
Een positieve bevinding betekent dat er ziekte is, een negatieve bevinding dat er geen ziekte is aangetoond.
Het percentage positieve uitslagen bij mensen die wel ziek zijn, noemt dat de sensitiviteit van een test. Met het begrip specificiteit wordt aangegeven hoe vaak een test negatief is bij personen die niet ziek zijn. Van alle commercieel gebruikte testen wordt aangegeven wat de sensitiviteit en de specificiteit is.

Vals positief
Een positieve uitslag bij iemand die niet ziek is zal bij microscopisch onderzoek niet vaak voorkomen. Als men in het laboratorium parasieten ziet onder de microscoop,  zou men in principe met 100% zekerheid kunnen zeggen dat de patiënt besmet is. Tenzij de laborant per ongeluk een monster heeft verwisseld of de parasiet niet goed herkent en het de verkeerde naam geeft, maar dat zal niet vaak voorkomen. 
Wanneer iemand niet ziek is maar toch een positieve uitslag krijgt, noemen wij dat vals positief.
Voor immunologische testen geldt lang niet altijd dat een positieve bevinding een bewijs van ziekte is. Immunologische testen hebben vaak ingebouwde meetfouten. Een test op antilichamen op gluten geeft in een relatief hoog percentage vals positieve uitslagen.

Sensitiviteit
De sensitiviteit van een test betreft bevindingen bij zieke mensen. Indien men 100 personen met een bepaalde ziekte, bijvoorbeeld een aangetoonde coeliakie, selecteert en bij hen een specifieke test uitvoert, bijvoorbeeld anti-gliadine in de feces, kan men vaststellen bij hoeveel personen de test positief is. De ideale test heeft een sensitiviteit van 100% en spoort alle ziektegevallen op. De feces anti-IgA-antigliadine test op coeliakie bijvoorbeeld heeft een sensitiviteit van 77%, dat wil zeggen dat men bij 23% van de personen waarvan het vaststaat dat zij coeliakie hebben, de diagnose mist.
Als wij infectie met Giardia lamblia als voorbeeld nemen, is het de vraag bij hoeveel percent van de personen waarvan bekend is dat zij besmet zijn, men door middel van ontlastingonderzoek deze parasiet vindt. Bij een eenmalig gebruik van een ontlastingsuitstrijkje en microscopisch onderzoek is de sensitiviteit 15%, bij een Elisa 90%. 
De kans dat men ziekte aantoont is afhankelijk van het type test.

  • Sensitiviteit geeft het percentage positieve uitslagen aan bij personen met een te onderzoeken de ziekte en geeft informatie over het aantal gemiste diagnoses, de vals negatieve uitslagen.  

Specificiteit
Specificiteit van een test wordt gedefinieerd als het percentage correct negatieve uitslagen bij personen die niet de ziekte hebben waarnaar men zoekt.
Indien men honderd personen verzameld waarvan door herhaald laboratoriumonderzoek en een darmbiopsie met grote zekerheid is vastgesteld dat zij een bepaalde ziekte niet hebben, bij voorbeeld de darmparasiet Giardia lamblia. Wanneer deze groep wordt getest met een nieuwe test is het wenselijk dat alle uitslagen negatief uitvallen, de test is dan 100% specifiek.
Bij veel testen is dat niet het geval. Indien een test een specificiteit heeft van 96%, wil dat zeggen dat men bij 4% van de onderzochten ten onrechte Giardia lamblia meet .

  • Specificiteit geeft inzicht in het percentage correct negatieve en vals positieve uitslagen, bij niet-zieke personen. 

Interpretatie uitslag
Uit bevolkingsonderzoek blijkt dat 4% van de bevolking besmet is met Giardia lamblia6 (prevalentie).  Prevalentie is het percentage mensen in een bepaald gebeid dat een ziekte heeft.
Een test die niet een  specificiteit van 100% heeft, wijst grote aantallen mensen aan als ziek terwijl zij de gezochte ziekte niet hebben. In ons voorbeeld heeft de test op Giardia lamblia een specificiteit van 96% en wijst 4% van de onderzochten ten onrechte aan als besmet. De kans op ziekte kan hieruit worden berekend.
Bij de test krijgen  4 : 100 personen een vals positieve uitslag.
De parasiet is bij    4 : 100 personen aanwezig, echt positief.
Er zijn dus totaal 8 : 100 positieve uitslagen, terwijl slechts 4 personen besmet zijn. De kans op een juiste uitslag is 50% (een verkeerde uitslag is in dit geval ook 50%)
De arts weet nu niet wie werkelijk besmet is en wie niet, daarom moet aanvullend onderzoek plaatsvinden.
Indien de specificiteit van de Giardia test 99% is dan is de kans op ziekte 80%.
Een ziekte die relatief weinig voorkomt, heeft een veel grotere meetfout. Stel dat een immunologische occult-bloed test voor het testen op darmkanker een specificiteit heeft van 98%.
De prevalentie van darmkanker ligt rond de 1 : 1.500, bij meetfout van 2% zullen 30 personen een vals positieve uitslag krijgen.
Vals positief 30 : 1000 van de onderzochten.
Echt positief   1 : 1000.
Van de totaal 31 positief geteste personen heeft er maar 1 kanker, ofwel slechts 3%.
Bij 97% van de mensen met een positieve uitslag op darmkanker, is er geen sprake van ziekte. Het voordeel van de test is dat niet 1.500 personen moeten worden gescreend door middel van een coloscopie, maar “slechts” 30 om één darmkankerpatiënt op te sporen.

Diagnostiek
De werkelijkheid is gecompliceerder dan wordt voorgesteld. Sensitiviteit betreft positieve testuitslagen bij personen waarvan al is vastgesteld dat zij ziek zijn. Bij bevolkingsonderzoek wil men bij een patiëntpopulatie juist de ziekte opsporen. Men kan om tal van redenen de diagnose missen.
Een test wordt altijd vergeleken met de gouden standaard – de best beschikbare test, in het geval van de diagnostiek van coeliakie is dat een dunne darm biopsie. Nu zijn er 2 problemen:

  1. Men kan niet bij iedereen die men verdenkt een biopsie laten doen (ingrijpend en duur) dus laat men een minder gevoelige test aanvragen, die vaak ten onrechte negatief zal uitvallen.
  2. Maar zo heeft mogelijk 50% van de volwassen een stille coeliakie; met een darmbiopsie mist men mist de diagnose doordat er geen darmvlokatrofie aanwezig is.
  3. Indien de feces anti-gliadine hoog is maar de darmvlokken zijn niet afwijkend niet-zieke personen zullen altijd personen voorkomen die de gezochte ziekte wel dragen. Deze onzuiverheid beïnvloedt de specificiteit en de prevalentie.
  4. Daarnaast heeft men met selectie te maken, bij een bevolkingsonderzoek vindt men een ander ziektepercentage dan in een medische praktijk. Het goed mogelijk dat personen met darmklachten 3 maal zo veel kans hebben op een parasitaire infectie en personen die niet tegen glutenbevattende producten 10 maal vaker coeliakie hebben, dan de algemene bevolking.

Energetische testen
Bio-energetische metingen door middel van electroacupunctuur, bioresonantie, Vega, Prognost, etc. staan centraal in de CAM praktijk. In de reguliere geneeskunde moeten diagnostische testen worden getoetst door vergelijking met een gevalideerde bepaling. Met name met een test die het meest nauwkeurig is - de op dat ogenblik geldende “gouden standaard”. Bij het vaststellen van de waarde van een test spelen de begrippen sensitiviteit en specificiteit een belangrijke rol. Van elke medisch diagnostische test zijn deze gegevens bekend. Voor energetische testen heeft validering slechts zeer beperkt plaatsgevonden.

Sensitiviteit van energetische meetmethoden:
Talrijke behandelaars nemen aan dat hun metingen “altijd” correct zijn. Echter de bewering dat energetische meting uitgevoerd door tal van apparaten 100% sensitief en specifiek zijn, is niet te rechtvaardigen. Metingen door middel van huidweerstand (Vega, electoacupunctuur) blijken relatief betrouwbaar in de selectie van organen die niet goed functioneren. Bij 714 personen kon men in 89.5% van de gevallen ongezonde organen aanduiden1. Een Israelisch2 onderzoek gaf een sensitiviteit van 70% aan. Het verschil tussen huisstofmijt allergie en water4 kon in 82% van  de gevallen door energetisch meten worden vastgesteld.
Het aantonen van de aanwezigheid van specifieke ziekten of pathogene organisme is niet mogelijk. Een dubbelblind Italiaans onderzoek met 72 allergische patiënten en 28 gezonde personen, resulteerde in de conclusie dat de allergische personen niet te onderscheiden5 waren.
Indien men de sensitiviteit voor energetische methoden meetresultaten wil vastleggen, moet de uitkomst per ziektebeeld worden vergeleken met reguliere testresultaten.

Conclusie:       
Bij laboratoriumdiagnostiek heeft men altijd te maken met meetfouten.
1. Het is een bekend feit dat men de diagnose kan missen, omdat er ‘niets’ gevonden werd.
2. Er zijn ook vals positieve uitslagen bij mensen die niet ziek zijn.

De regels die voor reguliere diagnostiek gelden zijn ook van toepassing op “bio-energetische” testmethoden. Energetische methoden zijn mogelijk geschikt voor orgaandiagnostiek, maar niet voor het  identificeren van specifieke pathogene organismen, zoals candida, bacteriën of parasieten. De literatuur geeft vooralsnog aan dat de sensitiviteit van de methoden laag ligt. Belangrijker is dat de specificiteit van energetische testen niet is vast gesteld en men bij zeer veel personen ten onrechte ziekte meet.
Mogelijk kan studie kan de voorspellende waarde van energetische methoden vastleggen door personen langere tijd te volgen. Of de therapeutische waarde door te registreren welk percentage verbetert bij behandeling.
Het advies luidt om de metingen altijd te combineren met reguliere medische laboratoiumdiagnostiek.

Referenties:
1. Szopinski JZ, Pantanowitz DLochner GP. Estimation of the diagnostic accuracy of organ electrodermal diagnostics.S Afr Med J. 2004 Jul;94(7):547-51

2. Zimlichman E, Lahad A, Aron-Maor A, Kanevsky A, Shoenfeld Y. Measurement of electrical skin impedance of dermal-visceral zones as a diagnostic tool for inner organ pathologies: a blinded preliminary evaluation of a new technique. Isr Med Assoc J. 2005 Oct;7(10):631-4

3. Lewith GT, Kenyon JN, Broomfield J, Prescott P, Goddard J, Holgate ST. Is electrodermal testing as effective as skin prick tests for diagnosing allergies? A double blind, randomised block design study BMJ, 322(7279): 131–134. 2001 January 20
4. Krop J, Lewith GT, Gziut W, Radulescu C.A double blind, randomized, controlled investigation of electrodermal testing in the diagnosis of allergies. J Altern Complement Med. 1997 Fall;3(3):241-8
5. Semizzi M, Senna G, Crivellaro M, Rapacioli G, Passalacqua G, Canonica WG, Bellavite P. A double-blind, placebo-controlled study on the diagnostic accuracy of an electrodermal test in allergic subjects. Clin Exp Allergy. 2002 Jun;32(6):928-32
6. Yoder JS, Beach MJ; Centers for Disease Control and Prevention (CDC). Giardiasis surveillance--United States, 2003-2005.: MMWR Surveill Summ. 2007 Sep 7;56(7):11-8

 

 

 

Pagina Top arrow